Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Beeldblind

Beeldblind
Anne Provoost

Verschenen in Cava?, Magazine van de Christelijke Mutualiteit, editie zeventien

Had ik maar een tablet gehad in mijn kinderjaren. Ik ben zo op woorden gefixeerd dat ik soms denk beeldblind te zijn. Mijn handicap manifesteert zich op onverwachte momenten. We zijn op reis in Zuid-Frankrijk. Ik ben hoogzwanger van mijn jongste kind. We hebben de diepbruine deur van een kerkje opengeduwd om aan de hitte te ontkomen. De kinderen hebben minder last van vermoeidheid dan ik. Ze hollen meteen het kerkje door tot aan het altaar. Na een paar ogenblikken komen ze opgewonden terug. ‘Mama, mama, kom kijken, een dode baby!’ Ze wijzen naar een voorwerp op een stenen voetstuk in een zijbeuk. ‘Ga maar niet,’ zegt mijn man, ‘het zal je emotioneel maken.’

Ik sta op en ga toch. Vooraan inderdaad een granieten praalgraf niet veel groter dan een schoendoos. Ik loop eromheen en verbaas me. Dit is het kleinste schrijn dat ik ooit heb gezien. De baby die ligt opgebaard kan niet ouder zijn geweest dan een paar weken. Dood in het kraambed, een vroeggeboorte? Mijn twee oudsten gaan er languit naast liggen, vergenoegd en opgelucht omdat ze groter zijn dan de in steen verpakte dode (alsof dat hen ergens voor behoedt). Het grafje is koud, ook in de overdrachtelijke zin: het doet me weinig. Ik leg geen verband tussen het glanzend gepolijste marmer en de warme, kloppende aanwezigheid in mijn buik. Maar dan valt mijn oog op een opschrift aan de voet van de sokkel:

Enfant du gris, enfant du secret, Parti de notre regard, c’est tout…

Onmiddellijk doorzoek ik mijn rugzak en haal mijn pen en aantekenboekje boven. Dit kan ik niet helpen, steeds opnieuw valt het me voor: niet de aanblik van voorwerpen beweegt me, wel de woorden die erbij horen. Een foto, een decor, een tekening, ik heb ze nog maar in mijn blikveld of ik zoek het onderschrift. De beschrijving van een afbeelding is me meestal veel duidelijker dan de afbeelding zelf. Het zerkje liet me onaangeroerd, maar de woorden eronder komen frontaal bij me binnen. Ik moet de kapel verlaten om van de nagalm af te komen.

Op een keer laat ik in een van mijn manuscripten een personage een huis binnenbreken via de badkamer. Ik beschrijf de situatie bloedloos, mijn hoofdpersoon is de kamer even snel uit als hij erin gekomen is. Het verhaal staat niet toe dat ik hier zo snel overheen ga, maar ik zie de badkamer niet voor me, en ik voel me niet in staat er veel over te schrijven. Dus sla ik de passage over, probeer een volgende paragraaf, en als ook dat niet lukt, ga ik iets anders doen. Later die dag valt in een damesblad mijn oog op de woorden ‘kolfjes en flacons’. Ogenblikkelijk kan ik naar de beschrijving van mijn badkamer terug. De twee bevallige woorden roepen de beelden op die ik nodig had. Het visuele wordt voor mijn geestesoog zichtbaar omdat het is benoemd. Woorden maken woorden los. In mij lijkt een tweede set ogen aanwezig, pupillen waar geen licht in breekt, maar taal.

Mensen vragen me waar ik mijn inspiratie vandaan haal. Niet uit mijn werkelijkheid, want die moet eerst in woorden gegoten worden voor ik hem zie. Wel uit teksten van anderen. Lezen doet me schrijven. Andere bronnen vind ik moeilijk ontcijferbaar. Het eerste wat ik me afvraag bij het zien van een tablet in de handen van een kleuter: zou mijn verstand anders zijn bedraad als ik er op vroege leeftijd mee in aanraking was gekomen? Het brein van een mens heeft twee paar hongerende ogen. Het ene wil beeld, het andere zoekt formulering. Een tablet is slechts het dienblad waarop levensnoodzakelijk voedsel wordt geserveerd. Geef een kind de beelden waar het nood aan geeft, maar voed het ook woorden. Met woorden zal het dieptezicht krijgen, het visuele kunnen bekijken op een ander niveau, als glurend door een periscoop.