| |||
|
Nieuws Auteur |
En dan nu het slechte nieuws.Het kind als antagonist.
4 juni 2003 Laten we meteen beginnen. Wat je nodig hebt is een afsluitbare kamer, niet bedompt of griezelig, geen kelderruimte die aan een kindermoordenaar doet denken en geen spookachtige zolder, maar een akoestisch goed aangekleed laboratorium met zachte vloeren en kussens tegen de muren. Er zijn poppen en blokken, videospellen en kinderboeken, maar evengoed hamers en spijkers, wereldbollen, naslagwerken, televisietoestellen met betaalzenders. Alles is er, maar niets is zichtbaar. Je zorgt er namelijk voor dat in het laboratorium geen daglicht binnenkomt. Verlichting is er wel, maar geen schakelaars. Het plan is dat we gaan zoeken naar manieren om de kinderen voor te lichten, te initiëren in het 'grote' leven dat hen wacht. Dat zouden we kunnen door een schoolbord op te hangen, en er met een krijtje in de hand voor te gaan staan, maar we willen het anders. We zoeken de onrechtstreekse benadering, de minder schoolse, we verkiezen dat ze iets leren uit een film of een boek in plaats van uit een saaie les. Zo gaat het experiment een tijdje door. Het is de bedoeling dat we er voor eens en voor altijd achter komen hoe we kinderen het beste de wereld van de volwassenen in kunnen leiden. Maar de situatie loopt al snel uit de hand. Aan de kant van de volwassenen ontstaat onenigheid. 'Ze moeten meer licht hebben,' zeggen sommigen. 'Ze zien niet de helft van wat er te zien valt, en zo lukt het ze niet om inzicht te krijgen en verbanden te leggen.' De 'weldenkenden' onder ons merken op: 'Wees niet zo bedillerig. Kijk naar wat ze doen. Ze spelen. Ze zetten de wereld op zijn kop. Bij elke doortocht laten ze hun sporen achter. Ze hebben hun eigen logica. Ze maken roekeloze koppelingen waar kunstenaars van kunnen leren. Ze hebben vertrouwen in het leven. Ze confronteren ons met wat we zijn vergeten. Ze hebben hun eigen waarheid, zoveel rijker dan de onze. We moeten doen wat we kunnen om te vermijden dat ze worden zoals wij.' Diezelfde 'weldenkenden' leggen hun handen op de ruit. Ze zoeken naar een manier om het raam open te maken. 'Weg hiermee,' brommen ze. 'We moeten een heuse relatie met hen aangaan in plaats van te doen alsof ze dieren zijn in een kooi.' Het gekrakeel van de volwassenen is niet het enige waardoor het experiment mislukt. Ook de kinderen hebben hun aandeel. Het begint onschuldig: ze jennen elkaar, ze maken ruzie, eentje zet het op een huilen. De 'weldenkenden' hadden hun handen al tegen het raam, zij zijn dan ook de eersten om op het glas te tikken en te roepen: 'Doe niet zo kinderachtig, laat zien dat je groot bent.' Het tikken op de ruit doet de kinderen opschrikken. Dat ze werden geobserveerd was niet bij hen opgekomen. Het wordt in een oogwenk rustig in het laboratorium. De kinderen herstellen zich onder zoveel bekijks. Wij volwassenen ontspannen; als het goed gaat met de kinderen gaat het goed met ons. Meer licht of minder, daar gaan we niet meer over bekvechten: als we veel lawaai maken horen de kinderen ons, en we willen toch een voorbeeld zijn. Een experiment als dit willen we naar behoren uitvoeren. Opvoeden is investeren in menselijk kapitaal, een belegging op lange termijn, een zekerheid voor de toekomst, niet alleen de hunne, maar ook de onze. Nu de kinderen weten dat wij er zijn gaan ze fluisteren. Nu en dan zeggen ze nog iets hardop, maar ze kiezen heel precies wat ze hoorbaar maken. Ze stapelen de kussens die we voor hun comfort hebben klaargelegd torenhoog voor de glaswand. Na een tijdje hebben we alleen nog een paar kiertjes om doorheen te kijken. Ze komen in opstand, realiseren we ons. En zo hoort het natuurlijk. Het wordt heel stil achter de kussens, en dat accepteren we. Je moet kinderen nu en dan laten begaan. Dat hebben ze nodig, dat weten we van toen we zelf jong waren. Plotseling dringt een brandlucht onze kant binnen. Ze beramen iets, we weten niet goed wat, want ze staan in een kring dicht bij elkaar, hun ruggen naar ons toe. 'Doe de lichten uit,' roept een volwassene, maar daarvoor is het te laat. Ze maken zelf al licht. Een van de meisjes is een roker, daar hebben we bij het opstellen van het experiment niet op gerekend, en ze heeft een aansteker bij zich. Een jongen van nauwelijks twaalf houdt een hoek van een kussen in de vlam. 'We maken een vuurtje,' joelen ze gezamenlijk, 'dan hebben we licht en zien we wat.' Het experiment eindigt met een sisser. Niemand raakt gewond. Veel rook en een brandlucht die weken blijft hangen, niet verwonderlijk in een ruimte die zo vakkundig was afgeplakt. De video-opnames die werden gemaakt zijn in het geharrewar door de kinderen onklaar gemaakt. Het enige wat is bewaard zijn de dingen die de volwassenen in hun vlucht mee graaiden: hun schetsboeken en hun aantekeningen. En zie, op basis daarvan valt uit het experiment toch nog iets te leren. Er waren immers volwassenen van diverse pluimage. Er waren pedagogen bij, die nauwgezet hebben genoteerd hoe de ontwikkelingssituatie kon worden verbeterd. Er waren opvoeders bij die goed verhalen konden vertellen en die een paar aanzetten hebben neergeschreven voor kinderboeken met een duidelijke boodschap. Maar er waren ook verlichte geesten bij, kunstenaars die alleen maar aan het experiment hadden deelgenomen om te leren, en met de kinderen niets anders van plan waren dan in de vorm van een verhaal iets moois te bieden. Van alle kriebels en droedels worden hun aantekeningen het grondigst bestudeerd, kunstenaars zijn immers interessant. En wat stellen we vast? Toen men riep: 'Wat zijn ze onervaren,' hebben ze verhalen geschreven waaruit kinderen kunnen leren hoe het leven in elkaar zit. Naar het einde toe worden de aantekeningen van de kunstenaars minder en minder leesbaar, vermoedelijk lagen op dat moment de kussens al hoog tegen het raam opgestapeld. Iemand schrijft nog een brutaal verhaal over een egoïstisch kind 'voor de herkenning'. Nog iemand noteert woorden als 'cool' en 'vet' en 'mega-kei-nijg'. En een ander gaat uitgebreid in op hoe een scholier zijn lerares vingert, bedoeld voor die ene zeventienjarige, kwestie van het contact met de andere kant van de glazen wand behouden. Omdat het experiment groots opgezet was en veel geld heeft gekost, knopen we aan de beschouwingen toch maar een paar conclusies vast. Dit is wat we onthouden. Wat we voor kinderen doen, hoe we ze benaderen, wat we ze vertellen… zit hem in de blik. Of ons verhaal de onschuld van het kind bevestigt of ontkent, het kind beschermt of blootstelt, de lezer inlicht of voorliegt, hangt af van hoe we naar kinderen kijken. We hebben al lang vastgelegd wat goed is voor kinderen, waar ze nood aan hebben (aan veiligheid, aan geruststelling, aan avontuur, aan experiment, aan voorlichting, aan ontspanning, aan duidelijkheid) en van daaruit gaan we ze benaderen. We maken niet altijd een helder onderscheid tussen waar kinderen nood aan hebben, en wat wij voor kinderen noodzakelijk achten. We zijn ervan overtuigd dat die twee samen vallen, maar evengoed zijn er mensen die beweren dat kinderen nood hebben aan discipline, aan tucht, aan een pak slaag van tijd tot tijd. Maar ons experiment van daareven liep verkeerd af. Een echt mooie opvoedingssituatie hebben we in het laboratorium niet kunnen creëren. Wat ging er dan mis? Als het niet aan het hanteren van kindbeelden ligt, vanwaar dan die ruis? Wat is het dat de onderzoekers die de zaak opzetten de aanwezige volwassenen kunnen aanwrijven? Allicht het volgende: we dachten, het zit hem in de blik, het ligt er maar aan hoe je naar kinderen kijkt, maar we zagen over het hoofd dat kinderen ook naar ons kijken. Misschien komen we daarom altijd net te laat, hebben zij al de trend van het kijken omgebogen, en is wat wij voeren het achterhoedegevecht van winterslapers die te laat zijn opgestaan. Zelf zijn we als jonge lezers gewend gemaakt aan de gedachte dat het de volwassenen zijn die het verknallen. Peter Pan loopt de dag dat hij wordt geboren van huis weg omdat hij zijn ouders aan zijn wieg hoort praten over hoe het zal zijn als hij groot is. Hij wil niet groot worden. Jezus stelt dat als we niet worden als kinderen, we het rijk van Gods koninkrijk niet zullen binnentreden. Volwassen worden is niet nastrevenswaardig, je stelt het beter uit, en als je het toch worden moet, dan best met behoud van de kinderlijkheid. Het kind is de norm, de volwassene de antagonist. En de schrijver, die zit er tussenin, op zoek naar een verdwenen eenheid. Dat is het romantische beeld, het salonfähige, de bon mot van al wie de kindercultuur genegen is. Toch zijn we er evengoed met zijn allen van overtuigd dat het de bedoeling moet zijn dat kinderen groeien. Ze moeten leren, ze moeten vaardigheden verwerven, hun plek vinden in onze wereld. Het 'kinderachtige' moet worden afgelegd. Die tegengestelde krachten doorkruisen afwisselend ons discours. Ook dat is op zich geen probleem. Er is veel plaats onder de hersenpan van een mens, ook voor volstrekt tegengestelde opvattingen. Het probleem hier is alleen dat we traag zijn. Curven verschuiven, zienswijzen veranderen, maar onze debatten blijven gaan over de oude dingen. Onze moderne opvoedingsprincipes van inspraak en participatie werpen vruchten af. Ze zijn mondig geworden, die kinderen van ons, precies zoals we dat graag wilden. Ze kijken terug, de spiegelverf op de ruit tussen onze wereld en de hunne hebben ze weg gekrabd. Langzaam maar zeker maken ze van de volwassene de noodlijdende, en zelf worden ze de antagonist in het verhaal. Nu houden zij ons een spiegel voor en dwingen ons erin te kijken. Een spiegel is een handig ding als het erop aan komt te zien dat je ouder wordt. Als de belanghebbenden de definitie bepalen, is de definitie verdacht. Is het kind nog wel machteloos? Vraagt het met zijn nieuwe mondigheid nog wel zo nadrukkelijk om bescherming, veiligheid, geruststelling, duidelijkheid, voorlichting, ontspanning… of maken we dat onszelf wijs? Als we het hebben over de vijftienjarigen worden we al wat minder stellig, maar zien we ook dat de leeftijdsgrens verschuift: de onafhankelijkheid komt steeds vroeger, en de macht steeds eerder (ik zie het in gezinnen in mijn omgeving: kinderen kiezen het televisiekanaal, ze beslissen wat er gegeten wordt - lasagne! - en hoe het weekend wordt doorgebracht. Meestal zijn het gezonde en interessante machtsverhoudingen waarbij kinderen een keertje bovenop liggen en dan weer even niet, net zoals dat tussen volwassenen gebeurt; ik houd ervan ernaar te kijken, maar waarom hebben we het er nooit over? Waarom hebben we het nooit over die blik die terugkeert, veel krachtiger, dwingender en op jongere leeftijd dan in het verleden. Dat kinderen terugkijken is vast van alle tijden, maar onze toestemming om dat te doen - terugkijken, terugpraten, zeggen 'als papa later mag thuiskomen dan verwacht dan mag ik dat ook', kleren dragen zoals wij, investeren in gadgets zoals wij, op het gepaste moment hun privacy inroepen zoals wij - is nieuw. Misschien moeten we het daar eens over hebben, over de kinderen die naar ons kijken en ons zien, en wat ze dan wel zien?). Sta me toe dat ik een schets geef van het kind vandaag, wetend dat ik kijk met de oogkleppen van mijn eigen sociale laag: ik zie kinderen die alles hebben. Ze hebben het nodige speelgoed, een plek om te wonen, een school, liefhebbende grootouders, verjaardagsfeestjes, uitstapjes naar een pretpark of een bos, een reis in de zomer en misschien ook eentje in de winter, een bed vol knuffeldieren, op latere leeftijd een tafel met een computer, en een plank met boeken. Onderbelichting van de twijfel, gecombineerd met materiële overdaad, leidt tot een wereldbeeld van de toverstok: het geloof dat je met wilskracht de factoren die tegenzitten kunt bezweren, en dat je met strategisch inzicht en doorzettingsvermogen zo goed als alles kunt bereiken. Onze kinderen zijn massaal gedisneyficeerd. Ze geloven in de maakbaarheid van het leven en zijn ervan overtuigd dat mislukking zwakte is. Goede intenties volstaan al, goede looks zijn een bonus, goedheid een eigenschap die je hebt en behoudt - net als slechtheid, overigens. 'Verwennen' heeft al een tijdje niet meer de negatieve bijklank die het vroeger had. Je verwent jezelf met een warm bad en elkaar met een massage. 'Bederven', dat dialectische woord dat mijn grootmoeder gebruikte, kan misschien weer even dienst doen, al klinkt het afgrijselijk. 'Bederven' is dan niet alleen kinderen met materieel goed overladen, maar ook: ze niet herinneren aan de grenzen van de maakbaarheid. Als we geen wrijving toestaan, als we het houden bij wat een kind mooi en lief vindt, bij waar het gelukkig van wordt en de slaap niet van laat, gedragen we ons als kinderlokkers die niet tot zelfanalyse in staat zijn. We brengen ze naar datgene wat we niet nastrevenswaardig vonden omdat het verachtelijk was: de burgerlijke volwassenheid, in de negentiende eeuw al door Rousseau verguisd, nu nog benepener in een era van intens neoliberaal denken. En we gaan voorbij aan het belang van frustratie, die vruchtbare teleurstelling als je tegen je eigen grenzen aanloopt en moet kiezen tussen jezelf sparen of jezelf pijn doen om de grens voorbij te gaan. Kinderen geestelijk beschermen of afschermen zal evengoed leiden tot opstandigheid en generatieconflict (en daar hadden we niets op tegen, dat vonden we helemaal normaal, kijk maar hoe we zelf waren). Maar de opstand zal blijven steken in het steriele, ondoelmatige met een aansteker in brand steken van een kussen, zoals we dat meemaakten tijdens ons experiment in het laboratorium. Het verzet zal geen voedsel hebben om werkelijk subversief te worden, groot genoeg om een bestel te veranderen en/of te verbeteren. Het zal blijven haken in een burgerlijke vorm van rebellie, onschadelijk omdat het tijdelijk is en geen reële inzet vergt. Dat zullen we helemaal aan onszelf te danken hebben. Een kind antwoorden geven op zijn vragen is één ding, een heel ander is het antwoorden geven op vragen die het (nog) niet stelde. 'Is dat wat we gaan doen?' hoor ik u vragen. 'Gaan we zwaarwichtig worden? Gaan we kinderen frustreren? Gaan we ze bevlekken met ons schitterend ongeluk en terugkeren naar de probleemboeken uit de jaren zeventig? Waren we voor ons vlees en bloed niet net op zoek naar geluk?' Lieden met verstand van het leven zeggen: geluk kun je niet nastreven. Je kunt er niet naar op zoek omdat het niet op zichzelf voorkomt. Het is een bijproduct van iets anders, de nevenwerking van een reeks van dingen die mensen met wisselende frequentie en intensiteit overkomen, zoals daar zijn: een blijk van erkenning, een gevoel van welslagen, een moment van inzicht. Is dat dan wat de schrijver voor ogen heeft als hij schrijft? Beult hij zich af om inzicht te verschaffen, put hij zich uit in het vinden van waarheden? Ik zal u voor eens en voor altijd onthullen wat schrijvers doen als ze teksten maken. Het is ontluisterend, dus schrik niet, maar een liedjesschrijver had onlangs de moed om het op de radio te vertellen, en sindsdien durf ik het ook. 'Als ik begin met het schrijven van een lied,' zei de man, 'vraag ik me niet af: welke waarheid wil ik verkondigen, dat kan ik me niet permitteren. Ik vraag me vooral af: wat rijmt er op het vorige vers? Als ik dan een rijm vind waar ik iets of wat van een waarheid in kan ontdekken, dan ben ik al blij.' Het is een zwaktebod, ik ben me ervan bewust. Maar dat maakt van ons geen mietjes. Onze slagkracht ligt op een ander vlak. Omdat we de taal vasthouden, kunnen we ze ontmantelen. We buigen ze om tot de tegenstrijdigheden zijn gemaskeerd. Een verhaal dat onwaarschijnlijk is, onlogisch of onrealistisch, tooien we met woorden tot het helemaal 'waar' is. De fabel verliest zijn leugenachtigheid door de schoonheid waarmee hij is verteld. Een verhaal opbouwen is heel erg verwant met een verhaal bouwsteen voor bouwsteen afbreken. We leggen de verschillende elementen voor ons uit en beseffen dat we het, nu alles in deeltjes voor ons ligt, ook niet meer zo goed weten. Er ontstaat een verlangen om onszelf tegen te spreken. Opvattingen die verschillende richtingen uitschieten worden gracieus aangekleed en gaan beschaafd met elkaar in gesprek. Er is immers plaats voor uiteenlopende standpunten onder de hersenpan van een schrijver, genoeg zelfs voor een paar tegenstrijdige. Onze taal is een mistgordijn, diffuusheid ons enige wapen tegen de zekerheden die het bestel en de televisiestations ons toeschreeuwen. Een boek aanbieden aan een lezer is ook hem ontrieven. Wat je hem afpakt is de zekerheid dat hij ooit precies zal kunnen achterhalen wat je met je schrijven hebt bedoeld. Elk personage heeft zijn waarheid, die van de lezer kan er nog wel bovenop. Op die manier worden de act van het schrijven en de act van het lezen momenten van bespiegeling. Ze zijn de symbolische minuut stilte in de zijlinie van de economische ratrace. Ik pleit niet voor een terugkeer naar probleemboeken vol onverholen gelijk. Ik pleit voor een voorzichtig, weifelend gelijk dat buigzaam is, zelfs moeilijk te achterhalen. De beperking van de schrijver wordt zijn devies. Doe zoals de vos, laat meer sporen na dan nodig, zegt Wendell Berry, ga bewust de verkeerde kant uit, maak nu en dan een schijnbeweging. Als iemand me zou vragen waar ik in het leven het meest van geniet, denk ik dat ik zou zeggen: van de verandering van lichtinval. Dat vind ik het mooiste. Hoe licht verandert met het seizoen, wat dimlichten doen met een kamer, en avond met een straat of een horizon. Hoe anders een ruimte er ineens uitziet als een van de peertjes is doorgebrand, of het keukenraam nadat de buurman zijn haag heeft gesnoeid. 'Je moet kinderen duidelijkheid geven, en hoop,' zeggen mensen als ik hen vertel welke boeken mijn voorkeur wegdragen. In de bijna twintig jaar dat ik voor kinderen schrijf ben ik me meer en meer van mijn kindbeeld bewust geworden. Naarmate ik het beter kende en begreep, ben ik het gaan confronteren met mijn mensbeeld. Rekening houden met de blik van de 'mens' die de lezer is, is hem alles laten zien, ook de zoekende, weifelende manier waarop mijn kleine gelijk tot stand is gekomen. In De arkvaarders, mijn laatste boek over de zondvloed van Noach, schrijf ik het volgende: De zwijgzame, gedachteloze Rrattika gingen aan het praten. Van groot tot klein hadden ze het over het water en de overstroming. De kinderen kregen angstdromen. Ze wisten niet wat verdrinken was, maar hun vader had gezegd: 'Als je niet oplet, sluit zich straks het water boven je kop!' en ze werden naar adem happend wakker. Naarmate hun angst groter werd, samen met die van de stokoude mannen en vrouwen, die wisten dat ze leefden bij gratie van de vaste standplaats van hun familie - zwervend maakten ze geen kans en zouden ze met een paar kruiken water en wat brood op een schaduwrijke plek worden achtergelaten - groeide bij de werfbewoners het besef dat het omwille van de kinderen, de ouden, de zieken en de zwakken beter was te zwijgen. Op bijna wonderbaarlijke wijze ontstonden allerlei verklaringen voor wat de bouwheer had gezegd en kwam niemand meer tot de enig juiste gevolgtrekking: dat velen zouden sterven. En met het zwijgen kwam het vergeten. Omdat er geen nieuwe informatie kwam die de oude bevestigde, gebeurde wat met onheilstijdingen veelal gebeurt: ze worden vergeten in weerwil van hun onheilspellende lading. Men vindt gaten in de voorspelling, onduidelijkheden die het vermoeden bevestigen dat het leugens zijn. Na een tijdje leek het onheil ook zo veraf, alsof het niet voor deze tijd was bedoeld maar voor een andere era, niet eens die van hun kinderen of van hun kindskinderen. De bouwheer leefde al zo lang, misschien werd hij nog dubbel zo oud en waren er wanneer het water kwam allang nieuwerwetse oplossingen waar ze nu nog niet aan konden denken, of nieuwe goden, zonen van deze god met andere opvattingen en andere middelen. En wat viel er anders te doen dan het uitvoeren van de dagelijkse taken, wat hadden ze kunnen ondernemen? Een opstand voorbereiden? Ophouden met slapen en eten? Dit is een harde, complexe waarheid die vast niet onomstootbaar is, maar bij ons in België na de verkiezingen van twee weken terug, waarbij de groene partij is weggevaagd, een voorlopig bewijs van zijn gelijk levert. Hebben de non-believers het bij het rechte eind als ze hun leven in de aanschijn van het onvermijdelijke voortzetten zoals het was? Ik zou het zelf niet goed weten. In ieder geval, ik geloof geen seconde dat kinderen door dit soort waarnemingen pessimistisch worden, of neerslachtig, of verward. Door de zoektocht te laten zien, leg je de waarheid in de toekomst. Dat is de hoop die schrijvers bieden: we vertelden het verhaal, en zelfs al klonk het pessimistisch, in het nemen van de moeite ligt het geloof dat, ook al is er geen waarheid, je ernaar op zoek kunt. Dan zeg je eigenlijk: de waarheid is er nog niet, ook niet voor de volwassen schrijver, en zelfs als ze nooit gevonden wordt, is de zoektocht erheen al de moeite. Dat lijkt me een stuk geruststellender dan het gevoel dat ze er al is, die waarheid-met-hoofdletter, maar dat je nog te jong bent om ze te kennen. Wie kinderen voorhoudt dat 'ze het later wel allemaal zullen begrijpen' veroordeelt ze tot de toverstaf. Wie van fantasy houdt weet dat toverkunst bijna uitsluitend wordt aangewend op momenten in het verhaal waarin het personage zich heeft vast gereden. Harry Potter riskeert van Zweinstein te worden gestuurd als hij zondigt tegen de Wet op de Restrictie van Toverkunst. Toveren gebeurt bijna altijd in situaties van extreme machteloosheid. (Sta me toe dat ik nog een keertje mijn zoon citeer. Ik beloof, het is de laatste keer. 'Mama, Sinterklaas is al oud, hè? Ik: Ja jongen, heel oud. Hij weer: Wat gaan we doen als hij dood is?' Hij is vierenhalf als hij deze vraag stelt. Nu al voelt hij dat de betovering onhoudbaar is en gedoemd om te worden doorbroken). In de jaren dertig van de vorige eeuw ontdekte men in Nieuw Guinea een volkstam die nooit eerder met de buitenwereld in aanraking was geweest. Ogenblikkelijk waren de leden van deze stam studieobjecten van onschatbare waarde, hoog aangeschreven om hun ongereptheid en gewaardeerd om hun moed.
Op een dag verstopte een inboorling zich bij de landingsbaan van de vliegtuigjes waarmee de onderzoekers af en aan vlogen. Hij had een liaan bij zich waarmee hij zich vastbond aan een toestel dat op het punt stond op te stijgen. Even voordien had hij aan zijn geliefden uitgelegd dat hij absoluut wilde zien waar het vliegende voorwerp vandaan kwam, wat er verder ook met hem gebeuren zou. De ontdekkingsreizigers begrepen niet dat zoiets had kunnen voorvallen. Ze hadden de volksstam grondig bestudeerd, maar geen van hen had zich afgevraagd waar de blik van de inboorling naartoe ging. Bibliografie: Het geminachte kind van Guus Kuijer, Synopsis 1980 en Geen kinderspel van Bruno Vanobbergen, proefschift van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen 2003 Anne Provoost, tekst ter gelegenheid van de Annie M.G. Schmidt-lezing van 4 juni 2003. Hoofdpagina's: ZonKijken | Arkvaarders | Roos&zwijn | Vallen | Grindewal | Springdag | Beminde Ongelovigen |
||