Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

De vragen van Proust

Verschenen in De Morgen op op 17 mei 2026, door Ann Jooris, met foto’s van Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijftien directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Deze week: auteur Anne Provoost (61). Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

Hoe oud voelt u zich?
“Altijd mijn eigen leeftijd. En dat is nu 61. Leeftijd heeft voor mij alles te maken met nieuwsgierigheid naar wat komen zal. Ik kijk ernaar uit om oud te worden. Hoe voelt dat? En wat maak je dan nog mee? Talent voor nostalgie heb ik nauwelijks. Ik heb ook nooit een andere leeftijd willen zijn dan ik was.
“Mijn nieuwsgierigheid is een groot motief om te blijven leven. Ik hou van verandering, het windt me op. Drie jaar geleden konden we ons ChatGPT nog niet voorstellen en nu kunnen we ons niet meer indenken dat het niet bestaat. Ik ben een tamelijk grote cultuuroptimist. Ik denk dat we uit AI veel goeds zullen halen, maar ik ben ook wel ongerust. Zullen bots ooit gevoelens hebben? Zullen wij bots rechten geven? Zullen ze ons de baas worden? “Mocht ik vijfhonderd jaar kunnen worden om te zien waar dit eindigt, ik teken direct. Ik vind het boeiend om generaties elkaar te zien opvolgen door de tijd heen. Om te zien hoe mijn achterkleinkinderen opgroeien, alsof je je eigen familieroman leest.
“Maar ik zie natuurlijk ook de weerhaken van langer leven. Niet meer meekunnen met je tijd, geen begrip hebben voor hoe jongeren dingen anders doen. Laat me dus toch maar tijdig gaan, want dat wil ik mijn omgeving niet aandoen.”

Wat drijft u?
“Alles. Ik ben behoorlijk levenslustig. En ja, dan is het simpel natuurlijk. Dan word je gedreven door je temperament. De kern van schrijver zijn is volgens mij dat je wilt achterhalen hoe verhoudingen werken, hoe mensen in elkaar steken, hoe de wereld draait.
“Er zit geen hiërarchie in wat ik interessant vind, dus ik heb er ook geen elitaire kijk op. Dat ligt aan mijn boerenafkomst. Een plantje dat groeit, vind ik even interessant als een beroemd schilderij. Ook elke dag mogen toezien hoe je eigen kinderen evolueren en heel andere mensen worden, drijft me. En dan denken: hè hè, zo kan het ook.” (lacht)

Wat was de moeilijkste periode in uw leven?
“Ik heb geen grote tegenslagen gehad en heb dus makkelijk praten. Ik kan natuurlijk niet door het lot zo gefavoriseerd blijven. Ik zet me via mijn beroep al schrap tegen mijn fatale seconde: het moment dat er iets gebeurt dat niet terug te draaien is. Schrijvers anticiperen daarop door verhalen te verzinnen.
“Maar zelfs mij lukt het niet goed om me bepaalde voorstellingen te maken. Dat ik geen ouders meer zou hebben, bijvoorbeeld, krijg ik niet in mijn hoofd. Ik ben aan hen gehecht en ben ze schatplichtig. Mijn optimistische aard heb ik niet aan mezelf te danken. Ik erfde hun temperament en ze gaven me basisvertrouwen.
“Niet iedereen heeft dat geluk. Best wel wat mensen raken in hun jeugd al beschadigd, en zij moeten evengoed vroeg of laat voorbij hun fatale seconde, maar dan zonder die weerbaarheid. Ik kan enkel maar dankbaar zijn voor wat ik heb meegekregen.”

Hoe was uw kindertijd?
“Ik ben opgegroeid op het platteland in een klein dorp, in een jarenzestigbungalow. Mijn eerste herinnering is het vlakke landschap van de Westhoek. Een oud landschap, maar ik had al snel door: niets is hier echt oud. “We gingen vaak op reis, naar Frankrijk en Duitsland, en daar kreeg ik een gevoel van authenticiteit dat ik thuis niet had. Als je daar een kerk betrad, was de vloer uitgesleten. Onze kerk (de Sint-Rectrudiskerk van Woesten, red.) stamde zogezegd uit de veertiende eeuw, maar dat voelde niet zo. Onder de blauwstenen tegels zat vloerverwarming. “Op school leerde ik dat Ieper een middeleeuwse stad was, maar voor mij voelde het als een decor. Pas toen ik vijftig was, heb ik me verdiept in de vernieling van mijn streek. In dat opzicht ben ik wel nostalgisch. Ik heb een hang naar stijlen en materialen van vroeger. Ik ben geen fan van plastic en kunststoffen, kijk maar naar mijn interieur. (lacht)
“Mijn grootmoeders waren de generatie die de voordelen zag van nylon schorten, Diolen jurkjes en Tupperware-potjes, maar ik snapte er niets van. Ik verzamelde hun oude spullen, je vindt ze nog in mijn huis.
“Mijn ouders waren nogal avontuurlijk. Ze waren allebei bij de jongsten van een groot boerengezin, waardoor ze feitelijk uit de boerenstiel zijn gegooid. Want niet alle kinderen konden boeren, er was gewoon niet genoeg land. Ze trouwden in de jaren 60 en stilaan werd het normaal beschouwd dat je ging studeren. Mijn moeder was een van de weinige moeders in het dorp die een diploma hadden. Ze was regentes en werkte buitenshuis.
“De oude boerderij van mijn overgrootouders was op fietsafstand. Ik herinner me nog het binnenhalen van het hooi, de balen die opgetild werden met een riek, het stro dat prikte, de kleine tuffertjes van tractoren, motoren op wielen eigenlijk, die zwarte rook spuwden, de zonovergoten landschappen. Het verbrand zijn ook, want wie smeerde zijn kinderen in?
“Ik herinner me ook het begin van de verkaveling, de opkomst van de Bekaert-draad, het verdwijnen van de struweelrandjes. En het feit dat iedereen familie van mij was. (lacht) Als er iets is wat mijn jeugd typeert, zijn het die hele grote gezinnen. Ik kon nergens komen zonder dat iemand kwam zeggen dat hij verwant was.” (lacht)

Hebt u veel vrienden?
“Mijn vrienden zijn bijna altijd ook familie. Mijn familie is uitgezwermd over de hele wereld, dus ik heb overal vrienden. (lacht) Als er in gezinnen generaties lang veel kinderen zijn, ontstaat er misschien wel vanzelf een ondernemersmentaliteit. De oudste broer van mijn grootvader is gemigreerd naar Minnesota, waar Manu (Claeys, haar echtgenoot, activist en voorzitter van burgerbeweging stRaten-generaal, red.) en ik ook gewoond hebben. Er zijn familieleden naar Frankrijk getrokken, naar Canada, naar Zuid-Afrika, naar Amerika. Dit heeft bij ons begrip gecreëerd voor mensen die de omgekeerde beweging maken.
“Mijn laatste werk, een dichtbundel, Decem. Ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers, gaat over migratie. Ik ben van kleins af omringd door ontworteling. Er werden verhalen over verteld, er kwamen brieven uit verre landen, er werden landkaarten bijgehaald. Ik weet niet of het ene een logisch gevolg is van het andere, maar voor mij voelde de wereld best wel dichtbij. Ik raakte al snel doordrongen van de gedachte: de wereld is onze thuis. In retrospect zie ik daar het privilege van in. Wij kunnen inderdaad overal heen, dankzij ons velletje. Het gevoel tot een wijd netwerk te behoren, is mentaal van onschatbare waarde. Ik hoef niet bang te zijn voor eenzaamheid.
“Ik vind het overigens wel hemeltergend als iemand na een exotische reis zegt: ‘De mensen zijn daar zo gastvrij.’ Gastvrij zijn vinden we klaarblijkelijk nog altijd een kwaliteit. Maar voor het overige hoor ik vooral dat de poorten van ons continent dicht moeten. Wat een verwende houding. Als je de poorten wilt sluiten, wees dan consequent en blijf op je eigen continent.”

Welke kleine alledaagse dingen kunnen u blij maken?
“Aan guerrilla gardening doen in mijn buurt, dat wil zeggen, plantjes zetten in vergeten hoekjes waar ze de omgeving vergroenen, voorwerpen die kapot zijn repareren, wegdoen wat ik niet nodig heb. Ik kan niet anders dan circulair werken. Iets weggooien is niet aan mij besteed.
“Verder word ik vaak overvallen door een mooi gedicht op mijn wall, in een dichtbundel, op een raam. De filmpjes die mijn kinderen dagelijks sturen van onze kleinkinderen, een tweeling van twee en een kleinzoon van een half jaar. Ook: een artikel, een boek of een podcast die me een nieuw inzicht verschaft. Plotseling iets beter begrijpen, misschien vind ik dat wel het allermooiste.”

Wat is uw belangrijkste levensles?
“Doe wat je kunt doen. Voel je niet machteloos. Wees ervan overtuigd dat je een verschil kunt maken. Ik hoor zo vaak mensen zeggen: het helpt toch allemaal niet, want er is oorlog en de olievelden in Rusland branden. Met dat fatalisme kan ik niet leven. Bij elke wc die ik doorspoel met douchewater, elk plantje dat ik uitzet, elke onbekende die ik vriendelijk bejegen, elk dier dat ik niet opeet, heb ik het gevoel dat ik een verschil maak. Maar je moet het natuurlijk klein willen zien. En je mag het niet laten hangen, want dat is gemakzuchtig.
“Leef met aandacht. Voor elk individu, voor al het kleine, voor elk woord. Nu ben ik aan het preken. (lacht) Maar ik ben ervan overtuigd dat we dit soort sermoenen moeten blijven geven aan elkaar. Er is een geweldige tegenkracht daarbuiten, van negativiteit en van respectloosheid en vuilbekkerij.
“Hadden we maar vaker tegen elkaar gezegd waar we voor stonden, dan leefden we niet in een wereld die werd geregeerd door vrijheidsstrijders die vrijheid hebben verward met eigenbelang. Vrijheid bepleiten moet altijd samengaan met het bewaken van de vrijheid van de ander. Daar moet het debat over wokeness weer over gaan: je bent ‘wakker’ voor de vrijheden van anderen, niet in de eerste plaats voor die van jezelf. Dat dat debat van buitenaf zo van zijn doel is weggeduwd, heeft me de voorbije jaren echt onthutst.”

Wat ervaart u als een mislukking in uw leven?
“Ik heb ooit jaren aan een roman gewerkt vanuit het standpunt van een Vlaamse journaliste in Soedan die een kind vond en adopteerde. Het was mijn eerste project na Vallen (1994, red.). Ik wou het hebben over vrouwenbesnijdenis. Maar onlangs heb ik al mijn dozen research en kladversies naar het Letterenmuseum gebracht. Het project was te ambitieus.
“Ik las boeken geschreven door vrouwen die besneden waren, en ik besefte dat er misschien toch redenen waren om die vrouwen zelf hun verhaal te laten vertellen, in plaats van het woord te nemen. Dat was vele jaren voordat cultural appropriation een ding was. Tegelijk vind ik het een ongelooflijk verlies dat we als schrijvers het gevoel hebben dat er plekken zijn waar we niet kunnen komen met onze fantasie en ons inlevingsvermogen. Alles in mij protesteert daartegen. Een schrijver zou echt elk vertelstandpunt moeten kunnen innemen. Maar ik heb toen toch beslist dat er grenzen waren.
“Bovendien wilde ik dat verhaal zich laten afspelen in de Nuba Mountains. Manu en ik zijn daarvoor naar Nairobi gereisd om Nubanen te interviewen. Een priester wilde ons met zijn vliegtuigje naar de Mountains vliegen over Zuid-Soedan, waar volop oorlog woedde. Hij kon ons dus niet garanderen dat we niet uit de lucht zouden worden geschoten. Nu waren onze twee oudste kinderen, peutertjes nog, bij mijn ouders. En ik heb het niet aangedurfd. Veel schrijvers zouden tot het uiterste gaan, maar ik reken mezelf niet tot die categorie. Ik heb bewezen dat ik mijn staart intrek als mijn kinderen op het spel staan. Is het omdat ik een vrouw ben? Mannen zouden dat allicht ook doen, maar zouden ze het vervolgens laten optekenen in een krant?
“Ik kom uit een generatie van schrijvers die deden alsof schrijven larger than life was, dus ik heb me geschaamd voor mijn gebrek aan moed. Je kreeg de boodschap dat schrijven een goddelijke gift was en dat je daar niet aan kon ontsnappen. Terwijl ik ervan overtuigd was dat je daarvoor kiest. Je wordt er vaardiger in, het is groot, maar niet groter dan een andere roeping.”

Wanneer hebt u het laatst gehuild?
“Ik werk al jaren aan een boek over mijn grootmoeder, hoe ze in het begin van de Eerste Wereldoorlog als klein meisje naar een schoolkolonie in Parijs werd geëvacueerd. Het ging om een grootschalige reddingsoperatie van de overheid om kinderen uit de frontzone bij hun families weg te halen en onder te brengen in Franse pensionaten met Vlaamse nonnen. De vraag die ik daarbij stel is: in hoeverre zijn die kinderen beschadigd teruggekeerd? “Toen ik met mijn onderzoek begon, heb ik elke dag gehuild. Twee jaar lang. Ik huilde om twee dingen. Om de wreedheden die zij en die duizenden kinderen hebben moeten meemaken, weggerukt van hun familie. En om het feit dat al die verhalen verzwegen werden. Ik heb ze in archieven en uit gesprekken moeten reconstrueren, met veel hulp. Ik begon dagelijks huilen mijn normale gemoedsgesteldheid te vinden, maar nu ben ik er vreemd genoeg ineens toch beter tegen bestand.
“Als ik in de Westhoek rondtrek om het verhaal van mijn grootmoeder te vertellen, zie ik de mensen in de zaal wenen. Het voornaamste dat ik geleerd heb, is dat verhalen vertellen doet vertellen. Mensen herkennen flarden, gaan verbanden leggen en ineens begrijpen ze dat een familielid hetzelfde moet hebben meegemaakt.
“Het stilzwijgen van heel die generatie frappeert me omdat er zoveel gelijkenissen zijn met vandaag. Mijn grootmoeder had een zusje dat nooit is teruggekeerd. Ze sprak er niet over. Ik kijk naar de huidige oorlog en weet dat er over tachtig à honderd jaar weer honderdduizenden mensen zullen huilen om de wreedheden die nu worden stilgezwegen.”

Welk moment zult u altijd blijven koesteren?
“Ik breng niet echt hiërarchie aan in mijn momenten. Ik koester ze allemaal. Als verhalenverteller weet ik dat we in retrospect noodgedwongen artificiële ijkpunten kiezen om niet in chaos te verzanden. Anders hebben we geen verhaal. Als ik dat dus zelf doe, word ik achterdochtig. Er is anekdotiek die je niet vergeet, maar al de rest vergeet je wel.
“Door een verhaal te schrijven over duizenden kinderen tezelfdertijd, wat een heel moeilijk vertelstandpunt is, heb ik geleerd dat we niet op ons geheugen mogen vertrouwen. We leggen verbanden die er op het moment zelf niet waren. De mens is een narratief beest, hij breit feiten aan elkaar om tot een mooi verhaal te komen. Dat is de enige manier om onszelf als samenhangend te ervaren. Het is de mooiste kwaliteit die we hebben, dat we alles in verhalen gieten. “Zelf vergeet ik ongeveer alles, en ik vind dat niet erg. Als jong meisje heb ik heel veel dagboeken geschreven, maar dat was om mijn gedachten op orde te krijgen. Ik herlees ze nooit. Memoires zal ik niet snel schrijven. Ik lees ook niet vaak autobiografieën van anderen, omdat ik de cherrypicking zie. Ik ruik van verre de romanschrijver in het zogenaamd waargebeurde. Dan lees ik liever een fictieve roman.
“Er is trouwens niet zoveel gebeurd in mijn leven dat niet mag worden vergeten. Ik las het Proust-interview met Réginald Moreels, waarin hij zegt: ‘Ik kan dat toch niet allemaal voor mezelf houden.’ Dan denk ik: die man heeft ongelooflijke dingen meegemaakt, hij moet een autobiografie schrijven, laat hem dat veld bezetten, niet iemand als ik.
“Dus ja, de hoogtepunten in mijn leven zijn naast de gewone dingen van liefde en leven de momenten waarop ik iets verwoord heb gekregen op papier. De momenten waarop ik denk: het is gelukt.”

Bent u ooit door het lint gegaan?
“Door het lint gaan zou ik als mijn biggest failure ever ervaren, want ik beschouw dat als agressief gedrag. Zelfcontrole is voor mij heel belangrijk. Dat is ook de reden waarom ik niet drink. Ik verdraag slecht mensen die zichzelf niet controleren. Ik denk dat dat ook weer mijn boerenmentaliteit is. Controleverlies betekent gevaar voor mij. Toen de kinderen klein waren, zat ik in de middelste kamer van het huis te schrijven. Ik wilde alles kunnen horen. Er is weinig dat me ontgaat. Ik kan niet wegdromen of mijn omgeving vergeten. Dat is voor een schrijver een grote handicap.”

Hoe definieert u liefde?
“Dat je een rib uit je lijf zou halen. Dus dat je zou sterven voor iemand anders. Als ouder of grootouder besef je ineens dat je jezelf voor een auto zou gooien om je kind te beschermen.”

Wat vindt u erotisch?
“Ben ik niet te oud om daar nog op te antwoorden? (lacht) Als je 61 bent, is de vraag niet meer: wat vind je erotisch, want je hebt geen nood meer aan toeters en bellen. De voor mij enige juiste vraag is: wie vind je erotisch. De erotiek komt niet meer van prikkeling of rollenspelletjes, maar van een levenslange intimiteit. Alles wat je samen hebt gehad, gecombineerd met alles wat je nog steeds hebt en weet dat je nog zult krijgen, daar kunnen geen wellustige verzen of verleidelijke standjes tegenop. Meer in het algemeen? Het beste afrodisiacum vind ik nog altijd: een goede taakverdeling in het huishouden.”

Hoe zou u willen sterven?
“Ik vind dat geen interessante denkoefening. Ik maak daar geen hypotheses over. Je hebt er toch geen grip op. “Voor mijn roman over de Eerste Wereldoorlog interview ik veel familieleden, en de constante die ik daarbij zie, is dat doodgaan iets kleins is. Het zit in een hoekje en het gebeurt soms snel, soms traag, maar hoe het ging, wordt vlug vergeten. Mensen onthouden altijd wel wanneer iemand is gestorven. Maar ik denk dat onze geest zodanig vol is van de gedachte dat de dood onvermijdelijk is, dat wij het sterven zelf niet als relevante informatie opslaan. Het zit gewoon ingebed in het leven.
“Wat een mensenleven relevant maakt, is de context waarin het ontstaan is. Het is voor mijn kinderen bijvoorbeeld heel relevant dat ze in Antwerpen in een gezin zonder grote problemen geboren zijn, maar niet of de bevalling lang heeft geduurd en of er een epidurale aan te pas is gekomen. Hetzelfde geldt voor doodgaan. Hoe ik sterf zal over twee generaties niemand nog weten. En voor mij maakt het geen verschil, want ik ben er toch niet meer.
“Ik hoop natuurlijk dat het proces een beetje waardig verloopt, dat is mijn enige wens. Ik heb geen wensen voor nadien. Begraven of cremeren? Nee, laat mijn omgeving die beslissing maar nemen. Ik hoef dat niet vast te leggen. Ook niet als ik de diagnose krijg dat ik nog maar kort te leven heb. De uitvaart is voor wie mij overleeft, niet voor mij.”

Welke droom hebt u nog?
“Ik kijk heel erg uit naar de Ringparken, waarvoor Manu al 22 jaar strijdt en die de komende tien jaar geleidelijk zullen opengaan. Veel meer dan op veel andere dingen die ik in mijn leven gedaan heb, ben ik daar erg trots op. Omdat dat zo concreet is. Dat gaat over groene ruimte, over rustplekken, over een stad in een andere vouw leggen en echt het gevoel hebben van: wij hebben daaraan meegeholpen.
“Het zou er misschien ook gekomen zijn zonder ons, maar niet op die manier. Het was jaren vechten, vechten, vechten. Manu beschikt gelukkig over een lange adem. Je kunt dus wel degelijk een verschil maken, dat is iets wat wij elke dag tegen elkaar herhalen.”  

Lees hier het inverview over de vragen van Proust in De Morgen