Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Maskers af

Nederlands Dagblad
1 november 2024

door Jogchum Zijlstra

geld is duur in mijn opvang
en de nadruk is naar een andere oorlog verplaatst
dus wij gaan er even uit voor de reclame
want sta je je man in de praatgroep
en is je hart al verpand aan je franke cultuurland
dat verschillen benadrukt?
laat het maar aan mij om de waarheid te verdraaien
en om mijn versie te geven van feiten
ik gooi wel mijn vacht af
en loop van tenen tot hiel
naar de wereld die me nog niet is ontvallen
daar bevinden zich nog altijd de mannen uit het heldenland met hun kruimels
ze dragen snorren die plakken om te lachen
het zijn de dappersten onder de Galliers
ik zal met hun zingen moeten omgaan
ik ging naar een gemaskerd bal met mijn eigen gezicht
en alle gasten schreeuwden
zo echt leek ik op hun angsten

Het beeld raakt me en blijft hangen. We spelen een rol, houden ons ware gezicht verborgen en schreeuwen het uit van angst als een vluchteling ons zijn eigen gezicht toont. Al maandenlang gaat het in ons land over migratie of, preciezer, over asiel. De verkiezingen draaiden nog om bestaanszekerheid maar dat thema is inmiddels naar de achtergrond gedrongen. En wie aandacht vraagt voor de bestaanszekerheid van asielzoekers moet het afleggen tegen het luidruchtige koor van klagers over een te veel aan vreemdelingen.

Bij onze zuiderburen is het niet veel anders. Het zette de Vlaamse dichter Anne Provoost aan tot het schrijven van Decem, elf lange gedichten waarin ze in het hoofd van een bootvluchteling kruipt. Elf ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers, zoals de ondertitel luidt. Een jongeman vertelt het verhaal van zijn boottocht over de Middellandse Zee. Het nulde gedicht beschrijft de ramp, het bootje zinkt. Hij kan zich met moeite redden maar zijn zwangere vrouw ver-drinkt. In de tien volgende gedichten richt hij zich boos en cynisch tot zijn ondervragers en in feite tot de lezers alsof ook wij beslisambtenaren zijn.

Anne Provoost (Poperinge, 1964) is een Vlaams schrijver. Ze publiceert al sinds 1990 romans, kinder- en jeugdliteratuur en essays. In 2022 debuteerde ze met de bundel Krop als dichter. Decem is haar twee dicht-bundel. In een recent interview vertelt ze dat ze al heel lang geintrigeerd is door vluchtverhalen zoals dat van haar grootmoeder die in de Eerste Wereldoorlog als kind moest vluchten na een gasaanval in leper. Provoost wil haar talent inzetten om stem te geven aan iemand die er geen heeft. Bovendien voelt ze de noodzaak om 'een weerwoord te bieden aan het demoniserende taalgebruik dat wordt gehanteerd als het over vluchtelingen gaat. Er wordt gesproken over een stroom, een tsunami van vooral moslims die ons alles zullen afpakken.'

Bureaucratie

Het motto van de bundel is een letterlijk citaat uit de beslissing van hetvan de bundel is een letterlijk citaat uit de beslissing van het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen: 'Je asielrelaas bevat een opeenstapeling van eigenaardigheden en tegenstrijdigheden en onaannemelijkheden die de geloofwaardigheid van je vluchtrelaas volledig onderuithaalt.' De gedichten zijn genummerd in het Latijn, hebben allemaal een titel en een korte samenvatting (duo, de re-constructie, De getroffene geeft zijn versie van het gebeurde). Deze bureaucratische context contrasteert met de inhoud van de monoloog waarin consistentie en logica ontbreken. Maar de verhalende fragmenten en ontregelende beelden vormen uiteindelijk een indrukwekkend geheel. Herlezen en nogmaals herlezen is voorwaarde om er grip op te krijgen. Zoals ook luisteren en nogmaals luisteren voorwaarde zal zijn om het gefragmenteerde relaas van een getraumatiseerde vluchteling te kunnen volgen. Natuurlijk is zijn verhaal niet onmiddellijk begrijpelijk en consequent. Hij is in shock, spreekt zichzelf soms tegen en is kwaad.
nu walg ik ervan dat ik hier zit met niets meer om nog naar te reiken ik breek met de traditie om voor mezelf op te staan
ik raak gemakkelijk beledigd
en blijf oneindig beledigbaar
want ik ben scheel van het wachten in deze koudgeplaveide alleenstraat

Provoost grossiert in dergelijke beklijvende beelden en venijnige uitspraken zoals 'ik praat dagelijks met de man in het witte shirt/ een welvarende gevorderde die zijn plot komt bewaken':

Ontmenselijking

De vluchteling blijft naamloos en het is onduidelijk hoe dat nu precies zit met het kind. Zijn herinnering vertoont gaten en het antwoord op de vraag waarom hij nu is gevlucht is niet helder. Zijn religieuze of levens beschouwelijke opvattingen blijven onbekend evenals het land van her-komst. Al die onduidelijkheid heeft iets paradoxaals. Aan de ene kant is er de suggestie van een universele reikwijdte, het gebeurt overal en he zou iedereen kunnen zijn. Aan de ar dere kant is er het gevaar dat we de asielzoeker alleen nog zien als een nummer. In zijn woede onderkent d vluchteling dat risico:
in het land van de struisvogels zitten alle ogen vol zand dus succes met uw haat
u hebt nog driehonderd jaar om herstelbetalingen te doen aan de voormalige onmensen
Als beleid zich louter beperkt tot aantallen is er het risico van dehu-manisering, het proces waarin de menselijkheid stap voor stap uit het zicht verdwijnt. Vrijwel gelijktijdig met Decem las ik Een hogere liefde, Brieven aan een Duitse vriend van de in 1960 verongelukte Franse auteur Albert Camus. In zijn inleiding wijst de essayist Bas Heijne ook op dit gevaar. 'Camus' nadruk op onze gedeelde menselijkheic werd in zijn tijd maar ook vandaag de dag gezien als sentimenteel, als onvermogen om klinkklaar stelling te nemen. Waar gehakt wordt vallen immers spaanders. De debatten rondom bootvluchtelingen, de nietsontziende Russische agressie jegens het Westen, de invasie van Oekraine, de terreuraanval van Hamas en de Israëlische vernietiging van Gaza laten ons vooral zien hoe gemakkelijk het weer geworden is om mensen te ontmenselijken, waardoor hun lijden en dood geen sporen nalaten in ons geweten. (...) Het humanisme van Camus, waarin de mens zoveel méér is dan zijn politieke of maatschappelijke betekenis, en zijn overtuiging dat we onze menselijkheid nooit ondergeschikt moeten maken aan ideologische abstracties, worden in onze gepolariseerde tijd te gemakkelijk weggemoffeld. Met Decem levert Anne Provoost een indrukwekkende bijdrage om te voorkomen dat, in de woorden van Heijne, het lijden en de dood van anderen inderdaad geen sporen meer zouden nalaten in ons geweten. In het laatste gedicht constateert de 'ik' dat zijn leven 'weer een feit' wordt en dat zijn herinneringen weer logisch een samenhangend zullen zijn: 'ooit komt de dag dat ik me niet meer vergis'. Maar zijn onzekerheid is blijvend. Hoe zal de beslissing over zijn asielaanvraag uitvallen? En dan?
we leven in hyperbolische tijden en de geschiedenis doet niet aan voorwaardelijke wijzen
maar waar zal ik staan over twee jaar deze tijd
en zal het pijn doen?