Het verhaal
Voor mensen in de Westhoek is ‘de koloníe’ een bekend begrip. Elke bewoner van Bachten de
Kupe kent wel iemand met jeugdherinneringen aan een koloníe – altijd met nadruk op de laatste
lettergreep. Daarmee wordt niet een of ander exotisch land bedoeld, maar een van de tijdelijke,
inderhaast opgerichte schoolkoloniën tijdens de Eerste Wereldoorlog. Jonge kinderen uit de
gebombardeerde dorpen werden er jarenlang door onderwijzers en nonnen opgevoed. De hele
oorlog lang zijn er treintransporten geweest, in het begin vooral naar Frankrijk en Engeland, later
ook naar Zwitserland. Geschat wordt dat meer dan tienduizend kinderen op deze manier uit de
frontzone zijn geëvacueerd.
Anna Vandewalle, de grootmoeder van Anne Provoost, was zo’n koloniekind. Toen het
oorlogsconflict een goed jaar aan de gang was, werd ze samen met haar zusjes en broertjes op de
trein naar Parijs gezet. Ze was acht jaar oud. Het plan was dat de kinderen maar even in de Franse
hoofdstad zouden blijven, tot de oorlog voorbij was. Maar de oorlog duurde. Vier jaar later pas, in
1919, zag Anna haar ouders terug. Over die jaren in exil, van haar achtste tot haar twaalfde, is Anna
haar leven lang blijven vertellen.
Gevaar op straat
Anna was zeven toen de oorlog uitbrak. De boerderij van haar ouders bevond zich in Boezinge,
vlakbij de linies. Aan het geluid van het oorlogsgeschut was ze gewoon. De colonnes van
vluchtelingen naar Frankrijk had ze gezien. Met de soldaten die kanonnen het dorp inreden had ze
kennisgemaakt. De toren van haar kerk was al een paar keer hevig beschoten, en de akkers in haar
omgeving waren door de loopgravenoorlog door elkaar gewoeld.
Net als overal in de frontstreek was haar dorpsschooltje gesloten. In de kranten had men het
over de 'verwildering': kinderen hingen te veel rond in de buurt van soldaten, het werden
'stratelopers'. Ook fysiek waren de kinderen in gevaar. Op onverwachte momenten braken
gevechten uit, en schrapnels maakten regelmatig slachtoffers, ook onder de kinderen. Maar haar
familie had koeien en kleinvee, levensnoodzakelijk voor een gezin van veertien personen. De
boerderij lag een eindje van de dorpskern af, dus haar ouders vonden dat ze voorlopig veilig waren.
In april 1915 echter begint de Tweede slag om Ieper. Op welk moment precies de familie
Vandewalle op de vlucht slaat is niet bekend, maar op 22 april 1915 worden de Frans-Algerijnse
troepen in de buurt met granaten bestookt. Tegen valavond hangt over de regio een geelgroene
nevel: de Duitsers hebben meer dan vijfduizend flessen chloorgas opengemaakt. Het is meteen de
allereerste daad van chemische oorlogsvoering uit de geschiedenis. De bewoners zien wat de nevel
met de soldaten doet en slaan op de vlucht. Ze lopen letterlijk voor ‘de gaze’ uit. Boezinge is vanaf
dat moment verlaten.
Anna’s familie vlucht naar Stavele, een dorp even verderop. Daar vinden ze een
onderkomen in de boerderij van hun oom en tante. Die mensen hebben al een groot gezin, nu wordt
het nog groter. Na enkele weken met zo velen onder één dak raakt de gastvrouw overspannen. Ze
schreeuwt dat iedereen weg moet, maar krijgt meteen spijt. Anna zal zich de uitval van haar tante
nog lang herinneren.
Naar de kolonie
De Belgische minister van Binnenlandse Zaken Paul Berryer beslist om de kinderen uit de
frontstreek weg te halen. Hij gaat op zoek naar verlaten kloosters en kastelen in de omgeving van
Parijs en Rouen. Er staan immers heel wat gebouwen van religieuze orden leeg in Frankrijk: de wet
die geestelijken verbiedt onderricht te geven, is nog maar enkele jaren oud. De solidariteit van de
Fransen met het door de Duitsers overrompelde België is groot en de aanbiedingen komen snel
binnen. Vooral de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton speelt een belangrijke rol. In april 1915
richt ze op vraag van de Belgische overheid het Children of Flanders Rescue Committee op. Zij
schrijft in kranten en tijdschriften over de hulpbehoevende kinderen uit Vlaanderen, en krijgt
massale steun uit de VS en Frankrijk.
Ouders in de frontsteek worden opgeroepen om hun kinderen in te schrijven voor deze
noodkoloniën. Voorrang wordt gegeven aan kinderen van gemeenten waar de scholen niet kunnen
worden heropend en aan families die uit hun huizen zijn gevlucht. Aan de ouders wordt geen enkele
financiële bijdrage gevraagd. Zelfs voor kleren zal in de kolonie worden gezorgd.
Nauwelijks een paar weken nadat de overheid heeft beslist tot evacuatie kan het eerste
konvooi vertrekken. Driehonderd jongens en meisjes tussen de 5 en de 14 jaar worden met de tram
en met paardenkoetsen naar ‘Petit Paris’ gebracht, een wijk net buiten Veurne. Een speciale trein
wacht hen daar op omdat de stationsomgeving door de aanhoudende bombardementen per definitie
te gevaarlijk is. Martha Castryck is een van die kinderen. Ze is al wat ouder en heeft een prachtig
handschrift. In een aantekenboekje schrijft ze alle namen op van de meisjes die samen met haar
vertrekken. Dankzij haar nauwgezetheid weten we dat de zusjes Anna, Martha en Irma Vandewalle
zich ook in dit konvooi bevinden. Het is 15 mei 1915.
De kinderen reizen niet alleen. Ze worden begeleid door onderwijzers en jonge nonnen van de
Zusters Annunciaten, een kloosterorde uit Veurne met ervaring met het opvoeden van
burgermeisjes. De trein stopt nog even in Adinkerke, waar ze een laatste groet krijgen van koningin
Elisabeth, die aan elk kind een stuk chocolade overhandigt.
De trein gaat over Calais, waar hij wordt bevoorraad, tot aan Parijs. Hij doet er lang over:
pas tegen de middag van de volgende dag loopt hij het station van de Franse hoofdstad binnen.
Autocars wachten de treinpassagiers op en brengen hen naar Saint Sulpice, een leegstaand
priesterseminarie. Daar worden de kinderen medisch onderzocht, en de jongens en meisjes worden
van elkaar gescheiden. Na een paar dagen gaan de jongens, onder wie Anna’s broers Leon en
Albert, naar een kasteel te Garches, even buiten Parijs. Ook de kleine Oscar Louwagie, de latere
echtgenoot van Anna en dus de grootvader van Anne Provoost, wordt daar naartoe gebracht.
De meisjes krijgen een leegstaand klooster in het veertiende arrondissement van Parijs
toegewezen, in de Rue de la Santé. Het klooster bestaat uit een ‘châtelet’ – Anna zei altijd 'een
kasteeltje' – en een schoolgebouw waar de kinderen naar de mis gaan en les krijgen. Het klooster
ligt in een groene omgeving, er is een moestuin en een boomgaard. De kinderen leren naaien,
zingen en Frans spreken. Er wordt op toegezien dat ze ook hun Nederlands goed onderhouden,
zodat ze de band met hun thuis niet verliezen.
Het leven in de koloníe
De zusters zorgen dag en nacht voor de kinderen. Elk kind wordt in een uniform gestoken. Franse
weldoeners zorgen voor alle meubels en linnen, en leveren aan de schoolpoort schenkingen af. Uit
een document van het Rijksarchief in Brussel blijkt dat iemand een donatie doet van 11 ton bruine
bonen. Bijna elke dag krijgen Les Enfants de l’Yser bezoek van mensen uit Vlaanderen, Frankrijk
en Amerika die hun sympathie komen betuigen. Priesters op doorreis naar Lourdes blijven
overnachten. Om het bezoek te verwelkomen zingen de kinderen liederen, waaronder het Belgische
en het Franse volkslied. De bezoekers zijn vertederd en noemen de kolonie een modelschool.
Van de zusters zijn drie zakelijke dagboekjes bewaard waarin ze aantekenden hoe het
dagelijkse leven in Rue de la Santé verliep. Daaruit blijkt dat er veel aandacht wordt besteed aan
hoogtijdagen: communies, Sinterklaas, Kerstmis, de Belgische en Franse feestdagen. Alle
schenkingen worden erin opgetekend. In de dagboeken wordt gewag gemaakt van allerlei lekkers en
speelgoed. De zusters laten de kinderen ook geregeld fotograferen om het thuisfront op de hoogte te
houden. In een van de dagboekjes van de zusters staat: ‘Les colonies sont l’espoir de la Belgique.’
In Anna’s herinneringen is er van al dat moois weinig spoor. Later zal ze vooral herhalen dat
ze veel honger heeft gehad. Speelgoed heeft ze volgens haar in de kolonie nooit gezien. Omdat ze
zo graag een pop wil hebben, knutselt ze er zelf een in elkaar van een stukje stof. Ze zal ook blijven
praten over de gelakte schoentjes die ze bij haar vertrek van thuis meekrijgt: ze doet ze uit om te
gaan slapen in de transferslaapplaats van Saint Sulpice, maar wanneer ze wakker wordt, zijn haar
schoentjes verdwenen.
De opvoedingsprincipes die worden gehanteerd, zijn eigen aan hun tijd. Een meisje dat in
haar bedje plast, moet de volgende ochtend met haar natte lakens over het hoofd naast haar bed
staan. De kinderen mogen naar huis schrijven, maar moeten de zinnetjes letterlijk van het bord
afschrijven.
Niet meteen naar huis
Omdat het overbrengen van de kinderen vlot verloopt, komen er snel nog meer aanvragen binnen
van ouders die hun kinderen aan een schoolkolonie willen toevertrouwen. Op het Franse
grondgebied ontstaan vijftig schoolkoloniën met gemiddeld tussen de 120 en de 150 kinderen, dat
zijn 6000 tot 7000 petits Belges.
In de laatste fase van Anna’s verblijf in Parijs ligt de stad onder vuur. De kinderen gaan
soms schuilen in de kelder, maar meestal krijgen ze de opdracht om heel hard te bidden. Nadat de
wapenstilstand is afgekondigd, is er in de dagboeken van de zusters geregeld sprake van sociale
onlusten en stakingen. De overheden hebben moeite om een trein te vinden die de kinderen naar
Vlaanderen terug kan brengen.
Anna en Irma keren eind juni 1919 uit de schoolkolonie in Parijs terug, een jaar na hun
oudere zusje Martha, die om gezondheidredenen eerder naar huis mocht. Anna en Irma komen dus
pas negen maanden na de wapenstilstand terug naar België. Hun moeder Louise zit in de
deuropening op haar twee meisjes te wachten, maar Irma en Anna lopen haar gewoon voorbij. Ze
vragen waar hun moeder is. Na vier jaar is Louise helemaal grijs geworden en de meisjes herkennen
haar niet. Maar Louise herkent haar kinderen maar al te goed: jaren later wordt nog vele keren
verteld hoe ze weende omdat haar dochters in die vier jaar zo weinig veranderd waren, en vooral zo
weinig waren gegroeid.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Anna volwassen. De hele oorlog lang waakte ze erover
dat haar kinderen nooit van haar werden gescheiden. Ze mocht er niet aan denken dat haar kinderen
hetzelfde lot zou treffen als wat zij als kind had moeten meemaken. Ze is nooit meer naar Rue de la
Santé teruggegaan.
Anna Vandewalle overleed toen ze 83 was. Ze is de stammoeder van 8 kinderen, 36
kleinkinderen en 86 achterkleinkinderen.
Les colonies scolaires
Al vlug na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zoekt de overheid op verschillende manieren
naar een oplossing voor de vele kinderen die lijden onder het conflict. Lesgeven is immers zo goed
als onmogelijk geworden, zeker in de buurt van het front. Zo zijn bijna alle scholen opgevorderd
door het Belgische of het Duitse leger – afhankelijk van aan welke kant van de frontlijn ze zich
bevinden. Scholen die nog ‘vrij’ zijn, kampen dan weer met een tekort aan leerkrachten en
materiaal. Heel wat ouders kiezen er ook bewust voor om hun kinderen thuis te houden: gezinsleden
die zijn opgeroepen om te gaan vechten, moeten immers worden vervangen. In veel huishoudens
komt men handen te kort.
Daarom wordt er al op 16 oktober 1914 een Cercle de Réfugiés gesticht in Le Havre. Deze
kring spitst zich niet enkel toe op kinderen, maar probeert, voor zover dat mogelijk is, alle
vluchtelingen te helpen. Amper zes dagen later, op 22 oktober, meldt de stad Le Havre al aan de
Belgische regering dat alle kinderen van Belgische vluchtelingen welkom zijn in de scholen van de
stad. Het is een goede maatregel voor de gezinnen die naar Frankrijk zijn gevlucht, maar daarmee is
het probleem van de kinderen in het frontgebied nog niet opgelost.
Het duurt niet lang of er komen klachten dat de jeugd in de buurt van het front verwildert. Veel
kinderen zijn sinds het begin van de oorlog niet meer naar school geweest. Er wordt zelfs gesproken
over moreel verval: kinderen spelen oorlogje met echte granaten, geregeld vallen er slachtoffers.
Toch is het wachten op de eerste gifgasaanval van Duitsland, op 22 april 1915, voordat er echt schot
in de zaak komt. Leven in het frontgebied is nu helemaal onmogelijk geworden, en het is duidelijk
dat maatregelen voor de kinderen niet langer op zich kunnen laten wachten. Er wordt eindelijk
doorgewerkt aan een plan van schoolkolonies.
Op 15 mei 1915 vertrekt het eerste konvooi met Les Enfants de l’Yser, richting Parijs. In de
streek rond Parijs, Rouen en Calais ontstaan op korte tijd talloze colonies scolaires, maar dit
volstaat niet om antwoord te bieden op de vele verzoeken. Ook in Zwitserland worden mensen
gemobiliseerd om Belgische kinderen op te vangen. Die laatsten treffen het vaak veel beter dan hun
lotgenootjes in Frankrijk. Ook Nederland en het Verenigd Koninkrijk zullen heel wat kinderen uit
het niet-bezette deel van België opvangen.
Edith Wharton
Edith Wharton is een Amerikaanse prozaschrijfster die in 1922 in New York werd geboren als
Edith Newbold Jones. Ze wordt beschouwd als een van de belangrijkste Amerikaanse auteurs van
de twintigste eeuw. Haar roman The Age of Innocence, die in 1993 werd verfilmd door Martin
Scorcese, werd in 1920 bekroond met de Pulitzerprijs.
Wharton leefde lange tijd in Parijs. Ook bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bevond ze
zich in Frankrijk. Dankzij connecties en goede relaties slaagde ze erin om een reispas te
bemachtigen: Edith was een van de weinige personen die de toelating kregen om langs de frontlijn
te reizen. De indrukken die ze op die uitstappen opdeed schreef ze neer in een reeks artikels,
Fighting France: From Dunkerque to Belfort.
De oorlog greep haar erg aan en ze besliste om haar relaties te gebruiken om kinderen uit het
frontgebied te helpen. In april 1915 richtte ze een comité op om de Vlaamse kinderen van de oorlog
te redden. Ze hielp ook andere vluchtelingen en al in 1916 werd ze daarvoor door de Franse
overheid tot Chevalier dans la Légion d’honneur gekroond. Naast haar werk voor de Belgische
kinderen richtte ze ateliers voor werkloze vrouwen en ziekenhuizen voor tbc-patiënten op. Ze
organiseerde ook muziekconcerten om artiesten aan het werk te houden. In 1916 putte ze uit al deze
hulpacties de inspiratie voor haar boek The Book of the Homeless.
Edith Wharton stierf in 1937 in Saint-Brice-sous-Forêt. De straat waarin haar huis stond werd later
naar haar vernoemd.
Anne Provoost:
‘In oorlogstijd moet je naar de kinderen luisteren’
‘Mijn grootmoeder woonde bij mijn ouders in toen ik werd geboren, ze was een van mijn eerste
verzorgers. Mijn moeder wilde me Ingeborg dopen, maar mijn dooppeter stelde voor me naar mijn
grootmoeder te vernoemen, dus werd ik Anne Maria Cornelia Provoost, naar Anna Maria Cornelia
Vandewalle. En uiteraard werd ze mijn doopmeter. Ze heeft geleefd tot ik 25 was, ik heb haar dus
vrij goed gekend.
Als kind heb ik haar regelmatig over de kolonie horen vertellen. Ze had een grote foto
waarop 150 meisjes stonden, netjes in rijen, in identieke uniformpjes, met om hen heen zusters met
zwarte gewaden en stijve kappen. Les Enfants de l’Yser stond eronder. Ik probeerde dan bij wijze
van spel haar en haar zusjes op de foto te vinden. Het was moeilijk, die meisjes zagen er allemaal
hetzelfde uit. Ze keken allemaal even somber en leken helemaal niet op de bejaarde Anna en Irma
die ik kende.
Op een of andere manier wisten wij kleinkinderen allemaal dat mémé in de kolonie honger
had geleden. Eigenlijk was dat het enige wat we van de kolonie wisten. “De nonnen aten ons eten
op,” hoor ik haar nog zeggen.
Ik ben in de frontstreek opgegroeid. Alles om me heen verwees naar de grote oorlog: de
dodengangen waar we op schoolreis gingen, de IJzertoren, de Last Post waardoor we ‘s avonds
Ieper niet in konden, het Talbot House op weg naar school. Ik ben opgegroeid met een groot
historisch besef, maar mijn geografisch besef was veel minder goed. Omdat de oorlog overal om me
heen was, dacht ik dat hij zoiets was als de Tweede Wereldoorlog: een oorlog die zich afspeelde in
heel Europa. Het is pas door op mijn achttiende de Westhoek te verlaten, dat ik begreep hoe klein
het frontgebied in die eerste oorlog was geweest. Ik dacht dat in heel België kinderen verstoppertje
speelden op de Engelse kerkhoven. Ik had een vriendje dat obussen verzamelde, hij haalde ze zelf
van het land. In de drinkput voor de koeien troffen we een keer een verroest pistool aan. Daar
vonden wij niets ongewoons aan.
De meeste kinderen in mijn klas hadden een grootmoeder of een grootvader die in de
kolonie was geweest. Daarom praatten we daar nooit met elkaar over, het was te gewoon. Pas toen
ik ging studeren zag ik hoe plaatselijk die evacuatie van kinderen was geweest. Van mijn nieuwe
vrienden wist niemand nog wat een oorlogskolonie was. Toen Canvas me vroeg of er een zwart gat
was in mijn familieverleden, dacht ik daarom meteen aan de kolonie van mijn grootmoeder. Ik ging
ervan uit dat mijn moeder en mijn tantes alles zouden weten, maar ook zij hadden alleen maar losse
stukjes van de puzzel. We hebben geen koloniekind meer kunnen vinden om te getuigen, die hele
generatie is dood.
Niemand wist nog wanneer precies mijn grootmoeder haar geboorteplek Boezinge was ontvlucht.
De reportage was al ingeblikt toen een ver familielid bevestigde wat we al hadden vermoed: zij en
haar ouders vluchtten toen ‘de gaze’ werd ingezet. Volgens de man in kwestie vertelde Anna dat de
Duitse soldaten hoestend hun erf opkwamen en op de messink doodvielen. Messink is West-Vlaams
voor mestvaalt. Het feit dat het Duitsers waren die stierven, was onverwacht, want zij waren het die
de chloorgasflessen hadden opengedraaid. Duidelijk was er voor hen al evenmin in gasmaskers
voorzien. Ze zullen niet goed hebben geweten waar ze aan begonnen.
Mijn nonkel, de broer van mijn moeder, bevestigde het verhaal van de messink
ogenblikkelijk. Hij had het mijn grootmoeder ook horen vertellen. Dat is het mooie aan
geschiedenis onderzoeken: dankzij de reportage kwamen een hoop mensen in mijn omgeving met
hun verhaal. Ze herinnerden zich dingen die ze waren vergeten. De zonen en dochters van
koloniekinderen hebben vast allemaal nog heel wat informatie, maar ze praten er niet over omdat er
niet naar wordt gevraagd.
Mijn moeder wilde graag weten hoe dat dan ging met de beesten. Zijn haar grootouders die na het
optrekken van het chloorgas gaan halen? Wie had de dieren te eten gegeven? Of stierven ze door
het gas? Als boerendochter zag mijn moeder daar, veel meer dan ik, het probleem van in: vee was
voor boeren hun hele rijkdom. Het was het eten en drinken voor hun kinderen. We zijn er niet
achter gekomen: niemand kan nog vertellen wat er met de dieren van de boerderij is gebeurd.
Mijn moeder had ook geen idee wanneer mijn grootmoeder en haar zusjes naar hun kolonie
vertrokken waren. Er zijn zo veel kinderen vertrokken, hoe achterhaal je nu nog op de hoeveelste
trein zij heeft gezeten? Het was voor ons allebei een grote verrassing om in het aantekenboekje van
Martha Castryck te lezen dat ze bij het allereerste konvooi waren, een historisch transport eigenlijk.
Van alle kinderen zijn zij en haar reisgenoten op dat transport ook het langst weggebleven, want
haar terugkeer raakte maar negen maanden na de wapenstilstand georganiseerd, een volle vier jaar
later dus. Het betekent ook dat mijn grootmoeder bij haar vertrek een stuk chocolade moet hebben
gekregen van koningin Elisabeth. Ze heeft daar nooit iets over verteld, dus veel indruk zal het niet
hebben gemaakt.
Dankzij de reportage kwamen we op het spoor van de dagboeken die in de kolonie zijn geschreven.
Die aantekenboekjes lagen bijna honderd jaar in een lade in het klooster van de Zusters
Annunciaten van Veurne. We weten niet wie ze heeft opgetekend. Op het einde verandert het
handschrift, dus het zou kunnen dat er verschillende auteurs zijn geweest. Het lezen van die
dagboeken was voor mij en mijn moeder heel confronterend. De inhoud sprak alles wat mijn
grootmoeder had verteld tegen. In de dagboeken wordt gewag gemaakt van dadels, noten,
amandeltaart, chocolade, aardbeien, paaseieren, kersen, en geregeld ook van speelgoed: poppen,
kaatsballen, tennisraketten. Toen ik dat las, ben ik mijn oudste neven en nichten gaan opbellen, en
mijn tantes en mijn ooms. Zij herinnerden zich ook alleen heel andere verhalen: dat mémé honger
had gehad, dat ze nooit speelgoed had gehad, dat ze in die vier jaar één keer een half ei had
gekregen.
Wij hebben altijd gehoord dat haar gewicht en dat van haar zusjes in die vier jaar
ongewijzigd was gebleven. De boterhammen waren gerantsoeneerd. Mémé rekende uit op welke
plaats in de rij ze moest staan om de boterham aan het eind van het brood te krijgen, want die was
dikker. Omdat ze klein van gestalte was, kreeg ze hetzelfde rantsoen als de kinderen die jonger
waren dan zij. Dat vond ze heel onrechtvaardig. Ze vertelde: “De grote mensen aten eerst. We
konden in het gebouw wel lekker eten ruiken, maar we kregen er niets van.” In hun bord lagen
“rekbonen”, zo noemden zij en haar zus de bruine bonen die slijmerig waren omdat ze niet meer
vers waren.
Het was voor mij en mijn ma allemaal bijzonder verwarrend. In het Rijksarchief vonden we
de brief van een handelaar die 11 ton bruine bonen doneert aan de koloniën. Elf ton, kun je je
voorstellen wat een hoop dat is? Ik heb het ongemakkelijke vermoeden dat al die lekkere dingen
waarvan sprake was in de dagboeken, niet zo dikwijls tot bij de kinderen zijn geraakt.
In de kolonie zijn een zestal meisjes gestorven. Volgens de dagboeken was dat aan
roodvonk, maar mijn grootmoeder is er altijd van overtuigd geweest dat ze waren doodgegaan van
ondervoeding. Haar grote zus Martha, die toen in haar groei was, werd ook ziek. Haar menstruatie
viel stil en haar ruggengraat groeide krom. De zusters wilden dat laatste verhelpen door haar een
korset aan te passen, maar Leon, de grote broer die in de jongenskolonie zat en een keer op bezoek
ging, bepleitte bij zijn ouders om haar uit Parijs weg te halen. Dat was niet eenvoudig, want er
moest toestemming gevraagd worden. Aan de kinderen werd gezegd dat koningin Elisabeth boos op
hen zou zijn als ze vroeger naar huis gingen. Uiteindelijk keerde Martha een jaar voor haar twee
jongere zusjes naar huis terug. Ze moest er aansterken, werd gezegd; de suggestie was ook hier dat
ze in de kolonie niet genoeg te eten kreeg.
Onthullingen die zo tegenstrijdig zijn, brengen je natuurlijk wel even van je stuk. Aan de ene
kant heb je de getuigenissen van je geliefde mémé, aan de andere kant de officiële verklaringen van
de volwassenen in hun dagboeken. Iemand verdraait de waarheid, maar wie? Of ligt die in het
midden, en heeft mijn grootmoeder haar heimwee naar huis verward met honger? Misschien had ze
wel degelijk voldoende voedsel, maar was het probleem dat ze het eten, dat altijd hetzelfde was,
niet lustte? Ik kan het haar niet meer vragen, en daar heb je bij zo’n zoektocht het meeste spijt van:
dat je het je grootouder niet hebt gevraagd toen ze nog leefde.
Ik heb me natuurlijk afgevraagd hoe dat voor mijn grootmoeder moet zijn geweest, om daar met
haar jongere zusje in Parijs achter te blijven, zonder hun grote zus. Er zijn een hoop dingen die
vanuit hedendaags perspectief onbegrijpelijk zijn. Waarom hebben mijn overgrootouders hun
kinderen in Parijs nooit bezocht, bijvoorbeeld. Volgens de dagboeken kwamen er heel wat ouders
op bezoek. Tegen het einde van de oorlog gingen sommige ouders hun kinderen zelfs ophalen.
Anna en Irma zaten negen maanden na de bevrijding nog altijd in Parijs, dat is toch niet te vatten?
Gelukkig gingen de broers uit de andere kolonie nu en dan bij de meisjes langs. Bij die
gelegenheden mochten de meisjes enkele uren de stad in. Een van die keren gingen ze met Leon en
Albert wandelen. Ze kregen honger, gingen een zaak binnen en vroegen om brood. Ze zeiden: ‘De
la pain, s’il vous plait’. De ober bleef nogal lang weg en zette hun dan, tot hun verrassing, gestoofd
konijn voor. Wie de rekening heeft betaald, daar zegt dit verhaal dat in onze familie al honderden
keren verteld is, niets over. Maar volgens Anna was het de lekkerste maaltijd die ze in Parijs heeft
gehad.
Ik denk dat de vriendschap tussen mijn grootmoeder en haar broers en zussen heel intens
was. Ik heb vooral Irma en Anna gekend, het waren heel goeie vriendinnen. Het is erg mooi om te
zien dat ze op alle foto’s van de kolonie elkaars hand of arm vasthouden. Op die grote groepsfoto
staan alle 150 meisjes stijf rechtop, maar Anna heeft haar arm om de kleine Irma heen geslagen.
De reportage was voor mij een oefening in medeleven met een andere tijd. Hoe moeilijk het moet
zijn geweest voor boeren om hun hofstede te verlaten, dat heb ik moeten leren begrijpen. Daarom
gingen mijn overgrootouders niet naar Parijs: ze konden niet weg, maar ze stuurden wel hun oudste
dochter om de meisjes te bezoeken. Of hoe zeker ze moeten zijn geweest dat de oorlog niet lang zou
duren, en zich slechts dag na dag realiseerden dat ze hun kinderen niet meteen zouden terugzien.
Hoeveel vertrouwen ze moeten hebben gehad in een overheid die zei dat ze hun kinderen moesten
wegdoen, en in de geestelijken die hun kinderen zouden voeden en opvoeden. Ik heb me in de
reportage hardop afgevraagd hoe ouders dat over hun hart konden krijgen, hun vijf kleine kinderen
alleen wegsturen naar een onbekende plek. Het was oorlog en het waren andere tijden, daar moet ik
mezelf voortdurend opnieuw aan herinneren.
Er blijven natuurlijk ook wel wat dingen onduidelijk, zelfs na een lange zoektocht als de
onze. Op welke manier werd de scheiding aanvaardbaar gemaakt voor de ouders? Was er protest,
waren er ouders die hun kind niet wilden meesturen? Hoe ging men om met het feit dat de scheiding
steeds langer duurde? Wat waren de drijfveren van de zusters? Ook zij waren ver weg van huis, hoe
zwaar was het voor hen? Terwijl ze in Parijs zaten, werd in Veurne hun klooster gebombardeerd.
De achtergebleven kloosterlingen kwamen om. Wat doen zulke toestanden met een mens?
Mijn grootmoeder hield niet van drama, ze kon heel goed relativeren. Dat zowel zij als haar al even
nuchtere zus Irma tot het einde van hun leven zijn blijven zeggen dat ze honger hadden geleden
toont aan dat dit meer was dan een verzinsel. Een oorlog heeft vele kanten, en iedereen probeert
natuurlijk zijn hemel te verdienen. De volwassenen schrijven de officiële versie, en die is erg het
bestuderen waard. Maar in elke oorlog is het van belang om ook naar de kinderen te luisteren. De
waarheid komt niet altijd uit een kindermond, maar kinderen hebben zeker ook hun waarheid.’
***
De kinderkolonies, zoals gezien door de ogen van de heer B.H. Dochy, erehoofdinspecteur Lager
Onderwijs
De hoofdinspecteur noteerde in 1955:
‘Op zekere dag in St. Sulpice bij Parijs, waar een karavaan kinderen een paar dagen vertoefd had
voor de gewone schikkingen en voorzorgen, werd de laatste regeling getroffen om verschillende
groepen naar hun bestemming te voeren. De meisjes moesten plaatsnemen aan het ene uiteinde van
de speelplaats en de jongens aan een andere zijde.
Toen alles in orde scheen, bleven drie kinderen midden de grote speelplaats staan; twee
meisjes van 9 à 10 jaar en een jongentje van 6 à 7 jaar. Ik ging bij het groepje en vernam dat zij
broer en zusters waren, oorspronkelijk van ’s Heer-Willems-Kapelle onder Veurne. Op mijn vraag
waarom ze bleven staan in plaats van te gehoorzamen, verklaarde het oudste meisje dat moeder, bij
het afscheid uit de ouderlijke woning, streng bevel had gegeven dat ze moesten samen blijven en
voor hun broertje zorgen. Ik trachtte de kinderen te doen begrijpen dat zulks onmogelijk was, dat
hun broertje bij de jongens moest gaan en dat zij elkander af en toe zouden terugzien, daar de twee
kolonies (die voor meisjes en die voor jongens) niet ver van elkander afgelegen waren, enz. Doch
het hielp niet: ze bleven onbeweeglijk staan; toen ik een lichte poging deed om het jongentje bij de
hand te nemen en mee te leiden, sloegen de drie kinderen hunne armen rond elkanders kopje, en
stonden in elkander gestrengeld als een standbeeld.
Een Franse politieman met snorrenbaard die daar orde hield kwam dichterbij; ik legde hem
het geval uit en vroeg hem een handje bij te steken om de meisjes van hun broertje te scheiden.
Doch de man, wellicht een familievader, kreeg de tranen in de ogen en met de krop in de keel
stamelde hij nerveus: ‘ça me va au coeur….ça me prend à la gorge…non, je n’y touche pas, non…
non.” Ikzelf voelde mijn hart beklemmen en tranen in mijn ogen opwellen, bij het tafereeltje van
innige broederlijke liefde en van stipte gehoorzaamheid aan moeder…zóver van huis…, op
vreemde grond. We lieten het groepje met rust.
Toen al de andere kinderen weggevoerd waren en het drietal zich alleen bevond op die grote
speelplaats, begonnen de kinderen ietwat te spelen, maar het was zichtbaar dat de sukkeltjes
wantrouwig bleven; hun hartje was geraakt en zij koesterden argwaan tegenover elkeen die naderde.
Wanneer de avond viel trokken zij behoedzaam naar de eetzaal, aten een weinig en werden te bed
gelegd als vorige dagen. ’s Morgens vroeg, eer de meisjes wakker werden nam een bewaakster het
jongentje weg….Een drama voor het kind, heel zeker, en niet minder voor de meisjes die, toen zij
naderhand ontwaakten, hun broertje niet weerzagen. Er werden echter maatregelen getroffen opdat
de kinderen elkander af en toe zouden terugzien: ook hadden zij algauw vriendjes of vriendinnetjes
en het leed der scheiding ging voorbij.
Mij is het geval steeds bijgebleven en nu na veertig jaar, staat het mij nog fris voor de geest
en wordt mijn hart week wanneer ik eraan denk.
Het gebeurde ook wel eens dat er kinderen uit de kolonie wegvluchten, gedreven door een
onweerstaanbaar heimwee naar huis. Zo hadden we op zekere dag een ganse groep kinderen
toevertrouwd aan de ‘Belgische Kolonie van Chevilly’, buiten Parijs.
Toen wij na enkele dagen oponthoud bij onze familie in Paris-Plage in De Panne
terugkeerden en verslag gingen uitbrengen over onze zending bij de Weledele H. Gouverneur der
provincie, deelde de hoge ambtenaar mij mede dat drie jongens, afkomstig van Adinkerke, ‘s nachts
ontvlucht waren uit bedoelde kolonie, dat alle politieposten en gendarmerie uit de streek van Parijs
en van Amiens verwittigd geweest waren van ’s anderendaags vroeg, maar dat niettegenstaande
reeds een achttal dagen voorbij waren en geen spoor van de vluchtelingen ontdekt geworden was.
Ik kreeg de opdracht naar de huizen van de kinderen te gaan en voorzichtig het nieuws aan
de ouders mede te delen. Bij de gemeentesecretaris van Adinkerke vernam ik dat de drie kinderen
behoorden tot twee gezinnen, en dat hun woningen, gelegen naar de kant van Cabourg toe, in de
duinen aan elkander paalden. Daar gekomen, stak ik de deur open van de eerste woning. Naast de
huiskachel zat de vader een pijp te roken; verder aan de hoek van de tafel bemerkte ik een grote
jongen van ongeveer 10 jaar die mij niet vreemd voorkwam. Pas had ik gevraagd wat hij daar deed
en waarom hij niet ter school ging of de vader ontstak in woede en wilde de jongen te lijf gaan: het
was een der ontvluchte kolonisten. Met moeite kon ik de man bedaren en de schuldige tot spreken
brengen.
Zo vernam ik dat hij als chef van het drietal de ontvluchting geregeld had. Met twee
makkertjes van daarnevens waren zij samen over de muur der speelplaats geklauterd en hadden het
hazenpad gekozen. Toen het daglicht werd zetten ze voorzichtig hun weg voort, vermijdend door
Parijs en andere steden te trekken. Hij, de oudste, had onthouden dat hun karavaan gekomen was
over Duinkerke, Calais, Boulogne, Abbeville, Amiens, Parijs; nu zocht hij de weg terug. Bij de
boeren vonden zij ’s nachts onderkomen en bij dag bedelden zij hun eten…met de enkele woordjes
Frans die ze kenden. Zo geraakten ze na dagen reizen te Duinkerke en vandaar langs de kust naar
huis, spijts de strenge wacht aan het grensgebied in de oorlogszone.
Ik was tevreden dat de zaak aldus haar oplossing gevonden had. Toen de vader zegde dat de
jongen opnieuw zou moeten vertrekken bij de naaste gelegenheid, liet ik voelen dat daarvan geen
spraak kon zijn, om geen tweede uitgave van ontvluchting te verwekken.’